|
Infanterie-gevechtsbunkers
moesten de verdediging aan de perimeters van vesting garanderen. Kenmerkend voor
deze bunkers was dat, als zij het geschut geen schootsveld rondom gaven, zij
altijd het geschut een flankerend schootsveld gaven. Typerend voor de Duitse
infanterie-gevechtsbunkers was dat zij van origine niet een vestingwapen
huisvestten, maar een mobiel anti-tankkanon.
De 667 bunker werd
speciaal ontworpen voor een 5 cm KwK. (Kampfwagenkanone).
Door veroudering van het 5 cm
tankgeschut KwK.
werd een speciaal statisch statief ontworpen (Behelfssockellafette)
wat het eens mobiele geschut een vaste opstelling gaf in de kustverdediging,
waar men ze nog inzetbaar achtte tegen landingstoepen, licht gepantserde
(amfibie)voertuigen en landingsvaartuigen.
De 5 cm
Kampwagenkanone (KwK) op een Behelfssockel-lafette (speciaal statisch
statief) diende tot verdediging van land en zeedoelen en werd door alle
legeronderdelen aan de Atlantikwall gebruikt.
Ontwikkeld werd
het geschut in de jaren 1939-1941 bij de Fa. Rheinmetall voor de
Panzerkampfwagen III (SdKfz 141).
In de Panzer III
Typ E-H kwam de 5 cm Kwk L/42, in de uitvoering L en J en de KwK/L60
voor de inbouw.
Van de 9.568
vervaardigde 5 cm kanonnen werden vanaf 1942 meer dan 1.800 op
Behelfssockellafette (BhSkl) aan de kustverdediging toegevoegd. De
Behelfssockellafette bestond uit een lafette en een grondplaat. Voor aan
de lafette kon een schild bestaande uit een dubbele Panzerblech
aangeschroefd worden, die bescherming bood voor het bedieningspersoneel.
Het geschut wordt
elektrisch afgevuurd. De maximum vuursnelheid bedraagt 15 schoten per
minuut.
|