|
|
|
||||||||||
|
Opruiming
© J. van Tongeren, 10 januari 2006
Nederland Na de oorlog werd onder leiding van de geallieerden aangevangen met het opruimen van de mijnenvelden. Uit een telling, gehouden door de Commandant van de Mijn Opruimingsdienst (M.O.D.) bleek, dat op 1 juni 1946 in geheel Nederland 5.400 mijnenvelden (met ± 3.000.000 à 4.000.000 mijnen) waren gekarteerd en dat nog ± 900 mijnenvelden gekarteerd moesten worden. De kartering van de mijnenvelden geschiedde aan de hand van de door de Duitsers tijdens de bezetting zeer nauwkeurige vervaardigde kaarten.
Noord-Holland In Noord-Holland waren de secties IX van de Districts Militaire Commissarissen (D.M.C.-sen) te Alkmaar en Haarlem actief en zochten contact met "66 Field Company Royal Engineers (66 Field Coy R.E.)". In de capitulatie-voorwaarden was bepaald, dat krijgsgevangen Duitsers onder geallieerde leiding met de opruiming van mijnen e.d. zouden worden belast. Behalve door Duitsers werd ook door vrijwilligers uit de bewaringskampen geruimd. Zee en strand werden geveegd door de Marine Mijn Opruimings Dienst (M.M.O.D.).
Den Helder In Den Helder liet men deze toch gevaarlijke werkzaamheden uitvoeren door gevangen genomen Duitse soldaten van de 1. en 3./526. Op 27 mei 1945 werd begonnen om het eerste mijnenveld op te ruimen, terwijl het geheel van 26 juni tot 13 augustus 1945 werd geruimd. In het begin lag de productiviteit laag maar vanaf 19 juli werden meerdere velden per dag geruimd met als hoogtepunt 26 juli toen bijna 4.000 mijnen werden geruimd. Dit was mogelijk omdat het Duitse mijnkaarten-archief intact was gebleven en in zijn geheel was overgedragen aan de geallieerden.
|
||||||||||
|
|