|
|
|
||||||||||||||||||
|
Opruiming
© J. van Tongeren, laatste bijwerking 18 november 2010
Nederland Na de oorlog werd onder leiding van de geallieerden aangevangen met het opruimen van de mijnenvelden. Uit een telling, gehouden door de Commandant van de Mijn Opruimingsdienst (M.O.D.) bleek, dat op 1 juni 1946 in geheel Nederland 5.400 mijnenvelden (met ± 3.000.000 à 4.000.000 mijnen) waren gekarteerd en dat nog ± 900 mijnenvelden gekarteerd moesten worden. De kartering van de mijnenvelden geschiedde aan de hand van de door de Duitsers tijdens de bezetting zeer nauwkeurige vervaardigde kaarten.
De achtergebleven Duitse genisten en marinepersoneel waren geen krjigsgevangenen, maar de Amerikanen en Engelsen noemden hen Disarmed Enemy Forces (DEF) en Surrendered Enemy Personnel’ (SEP). Op zijn Nederlands ontwapende vijandelijke militairen. Zij werden in de volgende Lagers geplaatst:
Noord-Holland In Noord-Holland waren de secties IX van de Districts Militaire Commissarissen (D.M.C.-sen) te Alkmaar en Haarlem actief en zochten contact met "66 Field Company Royal Engineers (66 Field Coy R.E.)". In de capitulatie-voorwaarden was bepaald, dat krijgsgevangen Duitsers onder geallieerde leiding met de opruiming van mijnen e.d. zouden worden belast. Behalve door Duitsers werd ook door vrijwilligers uit de bewaringskampen geruimd. Zee en strand werden geveegd door de Marine Mijn Opruimings Dienst (M.M.O.D.).
Den Helder In Den Helder liet men deze toch gevaarlijke werkzaamheden uitvoeren door gevangen genomen Duitse soldaten van de 1. en 3./526. Op 27 mei 1945 werd begonnen om het eerste mijnenveld op te ruimen, terwijl het geheel van 26 juni tot 13 augustus 1945 werd geruimd. In het begin lag de productiviteit laag maar vanaf 19 juli werden meerdere velden per dag geruimd met als hoogtepunt 26 juli toen bijna 4.000 mijnen werden geruimd. Dit was mogelijk omdat het Duitse mijnkaarten-archief intact was gebleven en in zijn geheel was overgedragen aan de geallieerden.
Na de oorlog diende het voormalige Widerstandsnest 104 M. Marine Flakbatterie Vangdam als Nebenlager en huisvestte in de onderkomens circa 300 Duitse soldaten van het Pionier Bataillon 1. en 3./526. Zij moesten o.l.v. de geallieerden de mijnenvelden in de duinen ruimen. Dit onderdeel was na de kapitulatie van Duitsland ondergebracht bij de Pionier-Brigade Draeger o.l.v. Oberstleutnant Draeger (1945-1946). Uit een krantenartikel van de Helderse Courant van 23 juni 1945 verbleven er toen nog 150 Duitsers. De bewaking was de Duitse troepen was eenvoudig omdat de Vangdam toen nog een kunstmatig "eilandje" was. Toch staken regelmatig Duitsers met een bootje de Buitenhaven over om een Helders meisje te ontmoeten. Op 29 april 1946 vond men in de Buitenhaven het stoffelijk overschot van Obergefreiter Arthur Jeske *1), die waarschijnlijk tijdens zo'n uitstapje is verdronken.
Bij de aanleg van de Nieuwe Haven in de 50'er jaren is de batterij afgebroken.
Voetnoten: *1) Geboren Rathsdamnitz (Pommern) 12.10.1923, Erkennungsmarke 16830/42,l. Begraven Huisduinen (Den Helder) 1.5.1946 graf D-GD-51. Herbegraven Ysselsteyn, graf AD-12-300.
|
||||||||||||||||||
|
|